Khadak

Traditie en moderniteit, wegkwijnende nomaden versus oprukkende industrialisering. Deze problematiek inspireert al jaren het Belgisch-Amerikaanse duo filmmakers Peter Brosens & Jessica Woodworth. Khadak, hun wondermooie, inMongolië gefilmde magisch-realistische parabel werd in Venetië bekroond met de ‘Gouden Leeuw van de Toekomst’.

Freddy Sartor

De clash tussen een traditionele manier van leven, geloven, zijn en denken — één met de natuur en met de voorouders - én een meer geïndividualiseerde, op consumptie gerichte way of life. De discrepantie tussen de geborgenheid van een nomadencommune annex dierenkolonie op het platteland en het dagelijkse overleven in een grijze flat in een grauwe stad. Het zijn wereldwijde fenomenen. Maar in een primitieve gemeenschap zoals de Mongoolse nomadencultuur dreigt een dergelijk dilemma niet alleen een generatie te ontwortelen maar zelfs een heel volk te ontwrichten. Voor de meesten gaat het allemaal veel te snel en komt een dergelijke plotse evolutie neer op een sprong in het duister.

Brosens & Woodworth

Mongolië is geen onbekend terrein voor het cineastenduo Peter Brosens en zijn levenspartner, de Amerikaanse Jessica Woodworth. Ze hebben er elkaar ontmoet in 1998 toen ze er allebei aan het filmen waren. Voor Brosens maakt het op 35 mm opgenomen KHADAK het klavertje vier vol dat hij sinds de jaren 90 in Mongolië heeft gemaakt: City of the Steppes, State of Dogs en The Poets of Mongolia. Brosens & Woodworth: “Onze fascinatie voor en gehechtheid aan Mongolië heeft meerdere bronnen. Cinematografisch is het een buitengewone omgeving om indringende composities te maken omwille van de immense perspectieven, het uitzonderlijke licht en – een persoonlijke obsessie – de Sovjetafval. Belangrijker nog, de mensen zijn er coöperatief en genereus.”

Blauw

Oorspronkelijk luidde de titel van de film The Colour of Water die op zijn beurt wat deed denken aan Smaak van water van Orlov Seunke. Maar dat beeld bleek de makers niet sterk genoeg. Te kleurloos ook want om tot blauw te komen — de eigenlijke kleur van water — heb je een immense hoeveelheid nodig. Het blauwe ceremonieel sjaaltje, khadak, dat enkele keren op een opvallende manier in de film voorkomt, was een handig alternatief, gaf de film plotseling een heel andere, forsere klankkleur. De blauwe foulard verwijst naar de hemel. Vele Mongolen geloven dat elk individu met de hemel een speciale band heeft, en zien in de hemel de ultieme rechter over de daden van de mens. KHADAK laat zien hoe een eenvoudige herdersjongen, Bagi, een in de sneeuw verdwaald schaap gaat zoeken, het ook vindt omdat hij over een bijzondere gave beschikt. Hij kan dieren ruiken op grote afstand. Maar onderweg heeft hij een visioen: de yoert (Mongoolse nomandentent) van zijn familie staat in lichterlaaie. Een toekomstbeeld? Heeft hij soms de boosheid van zijn voorvaderen opgewekt? Door deze heftige en emotionele confrontatie krijgt Bagi een epilepsieaanval en komt in een diepe coma terecht waar hij uiteindelijk met de grootste moeite door een sjamane uit zal worden bevrijd. Zij brengt hem zijn ziel terug. De sjamane ziet daar een teken in - een sjamaan zoekt in een trancetoestand contact met de godheid en is een geestenbezweerder — dat de jongen voorbestemd is om ook sjamaan te worden. Dat negeren staat gelijk aan het nodige onheil over je heen roepen. En zo geschiedt blijkbaar. Want nog vooraleer Bagi goed en wel bekomen is staat het leger voor de deur van de yoert. Een epidemie zou het vee hebben besmet. Terwijl de dieren worden afgeslacht wacht de familie een gedwongen verhuizing. Waar naar toe? “Naar waar werk is!” zegt de chef, Waarop de grootvader (“Wij gaan nergens naartoe”) door twee spookgedaanten met stoel en al op een vrachtwagen wordt gehesen. Nog net heeft Bagi zijn paard met het blauwe sjaaltje khadak een waardige dood kunnen schenken. Zo idyllisch, zo lyrisch als het eerste deel van Khadak begint, zo asgrauw is het tweede deel. Moeder en zoon werken in de mijnbouw, worden er geconfronteerd met alcoholisme, zelfmoord en corruptie, terwijl grootvader zich uit protest (“We zijn zo slecht in het verdedigen van onszelf) in een jas van stilzwijgen heeft gehuld. Hij is nog maar een schim van voordien, mist de ziel van de plek waar hij geboren werd.

Globalisering

Khadak, hun eerste gezamenlijke werkstuk, toont de unieke kracht van de tandem Brosens-Woodworth: het antropologische van Brosens gelinkt aan het journalistieke instinct van Woodworth. Dat levert fraaie cinema op. Slalommend van fictie naar documentaire, maar vooral doordesemd met tal van elementen uit de rijke cultuur van een nomadenvolk. Hun film- en vertelstijl is zowel afstandelijk en objectief — je voelt aan dat je nooit alles van deze cultuur zal kunnen vatten - als subjectief. Als antropoloog klopt Brosens hart voor deze agrarische gemeenschap, voor een volkscultuur.Khadak zit tjokvol politieke referenties naar het verleden van Mongolië als sovjet-satelietstaat (“Elke week verse appels”). En is ook een reflectie over de politiek van de autoriteiten in Mongolië om de mijnbouw te favoriseren ten kost van de nomadencultuur die niet meer te redden is. Met alle sociale onrust tot gevolg. Ook in deze uithoek van de wereld heeft de globalisering toegeslagen; zowat de helft van het land is aan buitenlandse mijnbouwconglomeraten in concessie gegeven.

Liefdessprookje

Nadat eerst met een stekende pijn in de hartstreek afscheid is genomen van de eigenlijke roots, een agrarische nomadencultuur, wentelt Khadak zich vervolgens in het weefsel van de stad. Als een catalogus van sporen uit het verleden, van oude waarden (sjamanisme, boeddhisme) en nieuwe, vreemde begrippen )zoals democratie en markteconomie). Als een labyrint van mensen met hun herinneringen, verlangens en conflicten. Van mensen ook die hun leven ondergeschikt hebben gemaakt aan hun lotsbestemming: alles wat je in je leven overkomt, moet je maar accepteren. Of Bagi het als koerier voor de mijncompagnie zal redden is de vraag. Hallucinaties en profetische beelden blijven hem constant parten spelen. Wel redt de jongen het leven van Zolzaya, de schone dievegge van steenkool, toen het meisje onder de kolen was bedolven geraakt. Samen ontmaskeren ze de leugenachtigheid van het regime. De epidemie onder het vee, voorwendsel om de nomaden uit hun yoert te halen en naar de stad te deporteren, blijkt verzonnen. En zo deint Khadak uit tot een liefdessprookje waarin het meisje een soort engelbewaarder van Bagi wordt. Het is datzelfde meisje dat zorgt voor een ontroerende prelude en een indrukwekkend slotmotief. Of hoe mooi intelligente cinema wel kan zijn?

Bron: Filmmagie 571, februari 2007, p. 15-17.

Voor meer informatie: zie Cinema.nl.

Deze site is eigendom van de stichting KFA-Filmbeschouwing.
Voor alle teksten © Copyright KFA Filmbeschouwing.