|
De helaasheid der dingen
De eerste lachers heeft “De helaasheid der dingen” (2009) al op zijn hand voordat de film echt is begonnen en wanneer het motto tijdens de titelsequentie in beeld verschijnt: “De eventuele gelijkenis van bepaalde personages in deze film met bestaande personen berust op louter mensenkennis.” De dertienjarige Gunther Strobbe woont in het Vlaamse Reetveerdegem samen met zijn vader en drie nonkels bij zijn grootmoeder. Hij wordt er dagelijks geconfronteerd met ontzaglijke volumes alcohol, vrouwen versieren, schaamteloze lediggang en toiletbezoek met open deur. Kan Gunther aan de helaasheid der dingen ontsnappen? Gunther verlaat uiteindelijk Reetveerdegem, maar verlaat Reetveerdegem ook Gunther?
Rolf Deen
In geen Europees land - hoewel je nauwelijks meer van een land kunt spreken – kun je zo ontroert raken door lelijkheid als in België. Dimitri Verhulst zet in zijn roman ‘De helaasheid der dingen’ deze paradox trefzeker neer door de bitterzoete beschrijving van de leefomgeving van de Vlaamse Tokkies in het kwadraat, de familie Strobbe. Niet alleen in het verhaal in zijn geheel maar ook in de details zit die Belgische paradox. Bijvoorbeeld in de zin waarmee Verhulst de femme fatale van het dorp Reetveerdegem beschrijft: “Zij had alles van een zeemeermin: ze was slank en stonk naar vis.” Om dit woeste en tegelijk tedere literaire portret van een clan Vlaamse asocialen te verfilmen moet je van goede huize komen. Cineast Felix van Groeningen maakte van ‘De helaasheid der dingen’ zijn derde lange speelfilm. Het resultaat is een eigenzinnige combinatie van tragiek en humor. Van Groeningen geeft aan het diep tragisch gegeven van alcoholisme en huiselijk geweld een verbazingwekkende lichtheid. Ontroerend lelijk dus, zoals het leven der Belgen soms is.
Reetveerdegem
Gunther Strobbe, 13, woont samen met zijn vader Celle en drie nonkels (Breejen, Koen en Lowie) bij zijn grootmoeder in. De Strobbes zijn, na een reeks mislukte huwelijken, weer bij hun hoogbejaarde moeder. Het mannengezin leeft in een smerig krot in het onooglijke Vlaamse plaatsje Reetveerdegem. Hun motto is: "God schiep de dag en wij feesten er ons vrolijk doorheen". Elke avond gaat Gunther met zijn vader en nonkels naar de kroeg. Zij drinken zich lazarus terwijl Gunther zijn strafregels schrijft. De komst van tante Rosie en haar dochter Sylvie is een welkome afwisseling in de sleur van zijn uitzichtloze bestaan. Voor Gunther zijn Rosie en Sylvie het bewijs dat er leven bestaat buiten Reetveerdegem. De routine van alcohol, rokkenjagen en nietsdoen, wordt finaal doorbroken door een onverwacht bezoek van de Vlaamse jeugdzorg. Die laat er geen twijfel over bestaan: dit is geen omgeving waarin je een kind van 13 opvoedt. De reactie van vader Celle is kordaat: eerst slaat hij de inboedel kort en klein (daar dient inboedel voor), dan timmert hij zijn zoon in elkaar en tenslotte meldt hij zich aan in een ontwenningskliniek. Komt het daarna nog goed tussen vader en zoon? IJdele hoop zo blijkt, want tijdens zijn eerste vrije weekend weerstaat vader Celle niet aan de lokroep van de Reetveerdegemse horeca. Het is de laatste keer dat vader en zoon elkaar zien.
Overzichtelijk rotbestaan
Kan Gunther op zijn minst de loop van zijn eigen geschiedenis beïnvloeden? Kan hij het lot alsnog een lelijke loer draaien? Kan hij wél ontsnappen aan de helaasheid der dingen? “Een rotbestaan is heel overzichtelijk”, zegt Gunther in de roman. En als hij dat rotbestaan, de aaneenschakeling van eten, zuipen, toiletgang, neuken, baren en slapen beschrijft voegt hij er aan toe: “Sommige mensen zouden dat een spiraal noemen, wij beschouwden het als een cyclus.” Zie daar maar een uit los te breken, zeker als je niet beter weet. Twee personen bieden Gunther een aangrijpingspunt: de directeur van zijn school en zijn nichtje Sylvie die tijdelijk bij hen komt inwonen. De directeur biedt hem een ontsnappingspoging door voor te stellen dat hij op het internaat komt wonen en Sylvie omdat zij dikke boeken leest maar toch haar afkomst niet verraadt door een avond mee te gaan naar de kroeg en daar tot ieders verbazing zich als een echte Stobbe te gedragen. Je kunt Reetveerdegem verlaten zonder dat Reetveerdegem jou voor goed verlaat.
Loyaliteit
Hoe slecht ouders ook kunnen zijn voor hun kinderen, de kinderen zullen altijd worstelen met hun loyaliteit. Dat is de knappe keuze uit het boek die het filmscenario met behulp van de kunst van het weglaten heeft gemaakt. Het loyaliteitsconflict van Gunther is de leidraad voor het filmverhaal. De ontroerende korte en woordeloze scene waarin hij zijn moeder op afstand observeert en haar met rust laat als hij ziet dat zij een nieuwe man heeft en zwanger van hem is. Het aanbod van het schoolhoofd om in het internaat te komen, dat het eerst afslaat maar waar hij later dankbaar gebruik van maakt. Voor het zover is moet er heel wat bier en jenever stromen. En hoewel de volwassen Gunther een aantal fouten van zijn eigen vader herhaalt en voortdurend worstelt met het Reetveerdegem dat hem maar niet wil verlaten, slaagt hij er wel in zijn eigen kind fietsen leren terwijl de jonge Gunther dat zelf met vallen en opstaan moest leren.
Orwell
Behalve een verwijzing naar de grote Vlaamse schrijver Louis Paul Boon, van wie Sylvie een boek zit te lezen, zijn boek en film ook een verwijzing naar de roman ‘Houd de sanseveria hoog’ van George Orwell. We zien de volwassen Gunther verschillende keren met een sanseveria slepen. Net als Orwell’s Gordon Comstock probeert Gunther zich te vestigen als schrijver door zich aan zijn milieu te ontworstelen. Comstock doet alleen het omgekeerde, hij wil van een burgerlijk beschermd leven aan de zelfkant geraken, terwijl Gunther zich wil verheffen. Comstock faalt in ‘Houd de sanseveria hoog’. Uit een simpele slotscene van een vader die zijn zoontje leert fietsen kunnen we aflezen dat Verhulst en van Groeningen weliswaar naar Orwell verwijzen, maar zijn pessimistische visie niet hebben overgenomen. Misschien komt dat wel door hun ‘mensenkennis’ waarvan het motto spreekt.
Meer over ‘De helaasheid der dingen’ op cinema.nl
|