Life of Pi

“Ik weet een verhaal waarvan u in God gaat geloven.” Dat belooft een oude Indiër aan een reizende schrijver die om een verhaal voor een volgende roman verlegen zit. Hij geeft hem het adres van een man die in 1977 als 16 jarige schipbreuk leed en daarna 227 dagen op de Stille Oceaan overleefde met als enig gezelschap de Bengaalse tijger uit de dierentuin van zijn vader. Dat is in het kort de film “Life of Pi”. Na ruim twee uur kijken heb je veel moois gezien maar of je door de lotgevallen van deze eigentijdse Robinson Crusoë in God gaat geloven, blijft een vraag.

Rolf Deen

De reizende schrijver op zoek naar een verhaal vindt de voormalige schipbreukeling Pi Pattel in Canada, waar hij nu met zijn vrouw en kinderen woont. In een vraaggesprek ontlokt de schrijver aan Pi het wonderlijke verhaal over zijn overlevingstocht op de Stille Oceaan, die de kijker in een serie flashbacks te zien krijgt. Net als de roman valt het filmverhaal uiteen in drie delen: de jeugd van Pi Pattel in het Zuid Indiase Pondicherry; het overlevingsverhaal na de schipbreuk en de terugblik op het verhaal waarin de waarheidsvraag wordt gesteld. De overlevingstocht vormt natuurlijk het grootste en meest aangrijpende deel van zowel boek als film.

Hindoe, christen en moslim

De jonge jaren van Pi Pattel spelen zich af in en om de wonderlijke wereld van zijn vaders dierentuin. Pi is een vroeg wijze jongen met een uitzonderlijke interesse voor spirituele zaken. Hij is hindoe van geboorte en christen en moslim uit vrije keuze, tot ergernis van zijn vader. “Als je overal in gelooft, geloof je uiteindelijk nergens meer in”, zegt hij. Maar Pi gaat zijn eigen weg en laat zich niet door zijn vader van de wijs brengen. Hoewel de tijd die de film besteedt aan de jeugd van Pi kort is – de regisseur heeft blijkbaar haast om bij de visueel spectaculaire overlevingstocht uit te komen - krijgen we in een aantal korte bontgekleurde scènes voldoende mee van de rijke spiritualiteit van Zuid India. Het respect voor de dierenwereld, het leven met de duizenden goden van het Hindoeïsme, de rituelen van het Divali feest en de sacrale dansen die Pi op de trommel begeleidt. Maar ook krijgen we iets mee van de spanning tussen traditie en moderniteit, belichaamd in de spanning tussen atheïstische vader en de gelovige zoon.

Ark van Noach

In een korte shot zien wij Pi’s moeder die een kolam maakt op het pad voor hun huis. Een kolam is een geometrische zandtekening die Hindoe vrouwen ’s morgens voor het huis maken om voorspoed af te smeken. De kolam blijkt een slecht voorteken want de voorspoed is van korte duur. Gedwongen door de politieke en economische situatie, besluit Pi’s vader het gezin met dierentuin en al in te schepen naar Canada om daar een nieuw leven te beginnen. Het schip dat onder Japanse vlag vaart heet de Tsimtsum. Tsimtsum is een begrip uit de kabbalistische scheppingstheologie. Iets waar noch in de rest van boek noch in de film weinig mee gedaan wordt.
Het ruim van de Tsimtsum is gevuld met dieren. De associatie met de ark van Noach ligt voor de hand. Maar deze 20e eeuwse ark overleeft de grote storm niet. Het schip vergaat met man en muis. De enige overlevenden zijn Pi, een hyena, een Orang-oetang vrouwtje, een zebra met een gebroken been en Richard Parker, de Bengaalse tijger waarmee Pi als kind al eens eerder gevaarlijk oog in oog heeft gestaan. Zij moeten de reddingsloep met elkaar delen. Al snel zijn alleen nog Pi en Richard Parker over. Hyena eet zebra en aap, tijger eet hyena. Hoe nu verder?

Robinson Crusoë

De aantrekkingskracht van schipbreukelingverhalen ligt voor een deel in het praktische antwoord op die vraag: hoe nu verder? Hoe komt hij aan eten en drinken, hoe doorstaat hij stormen, hoe blijft hij bij zijn verstand? De vindingrijkheid van de overlevenden, de gruwelen die ze soms moeten doorstaan, de manier waarop ze met grote verliezen omgaan en hoe kleine overwinningen op zichzelf en de natuur ze er telkens weer bovenop helpen, zijn vaste elementen in dit soort verhalen. Wij zien het in de film “Alive” uit 1993 over de overlevenden van een vliegtuigramp in de Andes, in “Cast Away” (2000) met Tom Hanks in een moderne variant op Daniel Defoe’s 18e eeuwse roman over Robinson Crusoë. En natuurlijk in de verfilmingen van dat verhaal zelf. (In 1927 voor het eerst!)

Geloofwaardig en onwerkelijk

“Life of Pi” werd onverfilmbaar geacht maar met de mogelijkheden die de techniek van computer generated images (CGI) biedt, kun je dat tegenwoordig eigenlijk van geen enkel boek meer zeggen. De tijger Richard Parker kwam voor het grootste deel uit het computer animatieprogramma evenals de beelden van de Stille Oceaan, de vliegende vissen, de walvis, de lichtgevende kwallen en het drijvende eiland. Ang Lee schept met CGI en 3D technieken een visuele sprookjeswereld. De verbeelding van de overlevingstocht doet wat kleuren betreft denken aan de romantische zeegezichten van William Turner (1775-1851) en de gebeurtenissen – zoals een school aanstormende vliegende vissen - tegelijk aan surrealistische schilderijen van Margritte. Door deze geloofwaardige maar tegelijk onwerkelijke sfeer te scheppen plaatst Ang Lee het overlevingsverhaal als het ware tussen aanhalingstekens. Aanhalingstekens die de waarheidsvraag in het derde deel van de film aankondigen.

Ongeloofwaardig verhaal

Nadat hij is aangespoeld en gered krijgt Pi in het ziekenhuis bezoek van twee ambtenaren van het Japanse ministerie van verkeer en waterstaat. Zij onderzoeken de toedracht van de schipbreuk. Zij vinden het overlevingsverhaal van Pi ongeloofwaardig en vragen hem om een waarheidsgetrouwer relaas. Dan vertelt Pi ze een versie van het verhaal zonder opsmuk, zonder dieren, zonder surrealistische taferelen. We zien nu alleen het gezicht van Pi in close up. Hij vertelt nu de gruwelijke versie van het verhaal. De versie met alleen mensen in de reddingsloep. Vier schipbreukelingen waarvan Pi als enige overblijft. Deze beelden van versie toont Ang Lee niet.

God er in

Schrijver Yann Martel zegt in een interview* over deze wending in het verhaal, dat mensen zullen denken dat Pi het verhaal met de tijger heeft verzonnen omdat het trauma van het verlies van zijn familie te groot is. Yann Martel verwijst dan naar de religieuze dimensie van het verhaal. “Er zijn drie thema's in mijn boek. Ten eerste zeg ik: het leven is een verhaal. Ten tweede: je kunt je verhaal kiezen. Ten derde: het betere verhaal heeft een God er in. Daarmee bedoel ik dat geloven je leven rijker maakt. En de verbeelding ook. In het westen behoort de verbeelding toe aan twee groepen: kunstenaars en kinderen. In India is het mixen van verhaal en werkelijkheid iets van het alledaagse leven. Westerse mensen zijn op hun hoede voor verhalen. Want het werkelijk meegaan in een verhaal kent een moment van zelfverlies. Je maakt een `leap of faith'. Religie en literatuur werken op dezelfde manier. Voor alle duidelijkheid: ik zeg hiermee niet dat religie `zomaar een verhaal' is, maar dat we het leven begrijpen dankzij verhalen. De overgave die nodig is om daarin te kunnen geloven, is voor de westerse mens moeilijker.”

Geen antwoord

De redenering van Martel lijkt op een bekend paradigma: religie berust op de kracht van verhalen. Maar Martel in het interview tegen de journalist en Pi Pattel in de film tegen de Japanse ambtenaren zegt iets anders en eigenlijk iets platters: een verhaal met God er in is gewoon mooier. Maar dat staat in geen verhouding tot wat de oude Indiër in het begin van het verhaal aan de schrijver beloofde. Hij beloofde dat hij door het verhaal van Pi in God zou gaan geloven. Noch in de roman, noch in de film komt de schrijver terug op die claim. Pi Pattel, hindoe, christen en moslim tegelijk daagt God uit, roept hem aan en smeekt hem te mogen overleven. Op een zeker moment lijkt de hemel zich zelfs te openen voor een goddelijke openbaring – een koud kunstje met CGI techniek – maar zelfs dan wordt de belofte niet ingelost. Pi moet het laten bij het statement dat Gods wegen ondoorgrondelijk zijn. Het boek is spiritueel en theologisch een beetje rommelig en pretentieus, het filmscript had dat kunnen corrigeren maar heeft dat niet gedaan. “Life of Pi” blijft een genot om naar te kijken, mede dankzij het 3D en CGI spektakel dat Ang Lee en zijn team er van maakten. Of je er van in God gaat geloven? In ieder geval wel in mooie verhalen.

Ang Lee

Cineast Ang Lee (1954) wordt beschouwd als een alleskunner. Hij schakelt - schijnbaar met het grootste gemak - tussen uiteenlopende genres. Een intiem melodrama over een schijnhuwelijk (The Wedding Banquet, 1993), een Britser dan Brits kostuumdrama (Sense and Sensibility, 1995), een broeierige Oosterse martial art film (Crouching Tiger,Hidden Dragon, 2000), een “western” over een onmogelijke liefde tussen twee mannen (Brokeback Mountain, 2005) en nu dan in 2012 gebaseerd op de roman van Yann Martel, de 3D film “The Life of Pi”.
Ondanks die veelheid aan genres lopen er rode draden door het werk van Ang Lee. Thema’s die samenhangen met zijn eigen biografie komen in verschillende films terug: de vader/zoon verhouding, de ontmoeting en het conflict tussen Oost en West, de pijn van het afscheid nemen en de outsider die worstelt met de hoofdstroom. In “Life of Pi” herkennen we enkele van die thema’s. De gespannen verhouding tussen vader en zoon is er, de ontmoeting van Oosterse en Westerse spiritualiteit speelt mee en heel centraal staat: de pijn van het loslaten en afscheid nemen. Letterlijk zegt de hoofdpersoon: “Leven is de kunst van het loslaten maar wat het pijnlijkst is, is wanneer je geen gelegenheid hebt om afscheid te nemen.”

Van boek tot film

Iedere regisseur heeft in zijn oeuvre minstens één flop, één succes maar ook die ene film die hij net niet maakte. Voor Jean Pierre Jeunet (Amelie) is dat de verfilming van de succesroman The Life of Pi. Hij deed uitgebreid research, fotografeerde en tekende een storybook, ging terug naar de teken- en rekentafel toen de studio een begroting van 85 miljoen te hoog vond en bedankte beleefd toen ook een voorstel van 53 miljoen te duur was. Uiteindelijk liet het rechthebbende 20th Century Fox het duo Ang Lee/David Magee tekenen voor regie en script en ging akkoord met een budget van 130 miljoen. Voortschrijdend inzicht? In ieder geval had Ang Lee, 10 jaar nadat de Canadese schrijver Yann Martel de Booker Prize won met het boek, beschikking over digitale technieken waarmee hij problemen oploste die Jeunet vijf jaar eerder nog niet de baas kon.

Rolf Deen

*NRC Handelsblad, 18-04-2003, p. 19, CS Interview.

Deze site is eigendom van de stichting KFA-Filmbeschouwing.
Voor alle teksten © Copyright KFA Filmbeschouwing.