|
“Druk dan de legende af”
Op zijn levensreis heeft de grote regisseur John Ford menig film gemaakt die gevoed werd door zijn katholieke wortels, hoewel hij zelf Bijbelverhalen ‘nogal saai’ vond.
Eric David
Orson Welles antwoordde ooit op de vraag wie zijn drie favoriete regisseurs waren: “John Ford, John Ford, John Ford.” Ingmar Bergman bestempelde Ford als de grootste regisseur aller tijden. Behalve dat hij de enige regisseur was die vier Oscars won, was hij ook de eerste die de oeuvre prijs won van het American Film Institute en ontving hij de presidentiële vrijheidsmedaille, beiden in zijn sterfjaar 1973.
Ford maakte er aanspraak op zijn levenlang praktiserend katholiek te zijn geweest ondanks de vlagen van alcoholisme die zijn vroomheid op de proef stelden. Toen hij in de zestiger jaren een interviewer die zichzelf atheist en communist noemde zijn rozenkrans in de hand duwde, was dat zeker een teken van zijn geloof. Dan Ford, kleinzoon en biograaf van de regisseur, beweert dat “het eenvoudige geloof in Jezus Christus een troost voor hem was in zijn laatste dagen.”
Maar als het op filmen aankwam had Ford niets van het ascetisme dat bijvoorbeeld zo kenmerkend is voor het werk van zijn geloofsgenoot Bresson. Ford was met overtuiging een man van het vlees in plaats van de geest, gezien zijn de manier waar hij feesten, saloons, kroeggevechten, danspartijen en muziek in beeld bracht. Vooral muziek inspireerde hem. Tijdens het schrijven en voorproduceren van zijn films speelde hij muziek uit de tijd waarin de film zich afspeelde. Soms werd er zelfs op de set muziek gedraaide om de goede toon te zetten. Veel van zulke nummers kwamen terecht in de soundtracks en in de titelrol van de films.
Ford werd in 1894 in Maine geboren als John Martin Feeney. Symbolen uit zijn Iers katholieke religieuze traditie zijn te herkennen in zijn films, net als zijn bewondering voor een van de grootste messiaanse gestalten uit de Amerikaanse geschiedenis: Abraham Lincoln. In Young Mr. Lincoln (1939) koost Ford ervoor de vroege jaren van Lincoln te verfilmen waardoor de president meer menselijke trekken kreeg dan in de meeste biopics van deze grote Amerikaan.
Trek naar het westen
Ondanks zijn middelmatige schoolprestaties was Ford een hongerig lezer met een levendige fantasie. Zijn leven lang verzon hij verhalen over zichzelf en veranderde dikwijls van naam, totdat hij beroemd werd. In de dagen van de stomme film liep zijn oudere broer Francis van huis weg en maakte het helemaal in Hollywood, waarna hij zijn naam veranderde in Ford.
John volgde hem weldra en ging in de leer bij zijn broer, eerst als acteur, daarna als regisseur van tientallen films. Hij speelde zelfs een rolletje als Klu-Klux-Klan lid in de klassieker van D.W. Griffith Birth of a Nation uit 1915. Griffith had, net als de acteur Harry Carey, een enorme invloed op Ford. John Wayne, die in 24 van zijn films speelde, moest van Ford veel van de bewegingen en mimiek van Carey overnemen, inclusief de manier waarop hij zijn elleboog vasthield, op een heup steunde, zijn gebroken spraakritme en de vele stiltes.
Ford had de beschikking over ‘stal’ met acteurs, alsof hij ze op voorraad had liggen, waaronder John Wayne, Will Rogers, Henry Fonda en James Stewart. Hoewel hij als regisseur een bullebak kon zijn, gaf hij niet veel aanwijzingen over hoe een scène gespeeld moest worden. Hij koos acteurs meer uit om hun gestalte en hoe bewogen dan om hun tekstbehandeling. Hij filmde ze als bewegende standbeelden tegen vloeiende achtergronden en monumentale landschappen. Ford filmde vaak maar een ‘take’ en nam de scènes in volgorde op om te voorkomen dat de studio’s er te veel in zouden kunnen snijden en legde zo zijn eigen creatieve visie aan hen op.
In 1920 trouwde Ford met Mary McBride Smith, een niet-katholieke gescheiden vrouw. Ze bleven hun levenlang met elkaar getrouwd, hoewel het huwelijk geplaagd werd zowel door drankzucht en ruzies als door zijn liefdesaffaire met Katherine Hepburn nadat hij haar een rol had gegeven in Mary of Scotland (1936).
Nadat hij onder de indruk was geraakt van de baanbrekende film Sunrise (1927) van Murnau, vermeed hij close-ups en camerabewegingen en concentreerde hij zich op camerastandpunten en de formele compositie van de geometrie van de ruimte waarin hij zijn karakters plaatste, ja zelfs opsloot als wezens met een vrije wil in een voorbeschikt universum.
‘Sporen van zijn katholieke verbeelding’
In Stagecoach (1939) reist bijna ieder type uit de Amerikaanse samenleving mee in de postkoets en de film is daardoor Ford’s eigen versie van de Canterbury Tales. Commentaar op de samenleving gecombineerd met een pakkende verteltrant en twee ‘eerste keren’: de eerste keer dat John Wayne optreedt in een Ford film en de eerste keer dat Ford draaide in wat al snel zijn persoonlijk territorium is gaan heten: Monument Valley in Utah. Orson Welles zei dat hij Stagecoach veertig keer had bekeken voordat hij aan Citizen Kane begon.
In zijn boek Afterimage zegt Richard A. Blake over dit eerste grote werk van Ford: “Zijn opvattingen over gemeenschap, verlossing, geweten en het leven al een reis op weg naar het thuisland in het hiernamaals dragen onmiskenbaar de sporen van zijn katholieke verbeelding zelfs in het vertellen van een goed, niet-religieus avonturen verhaal.
In zijn meest toegankelijke film The Grapes of Wrath (1940) toont Ford al thuis te zijn in zowel de progressieve politiek (hij nam het in Hollywood op tegen McCarthy-isme) als in de kunst van het vertellen van bedrieglijk simpel verhaal. Orson Welles huurde het jaar na verschijnen van Wrath de cameraman die de film draaide in, Greg Toland bekend om zijn clair-obscur, en de ‘rest is history’.
‘Bijbelverhalen zijn nogal saai’
Ford laat zich van zijn sentimentele en vrome kant zien in How Green Was My Valley (1941), een nostalgisch treurzang op het leven in een Welsh mijndorpje op het moment dat de industriële revolutie uitbreekt. De predikant in de film, pastor Gruffydd, spreekt een menigte toe: “Angst heeft u hierheen gebracht. Verschrikkelijke, bijgelovige angst. Angst voor goddelijke wraak, een bliksemschicht uit de hemel. De wrake en gerechtigheid des Heren. Maar wat jullie zijn vergeten is de liefde van Christus. Jullie zijn Zijn offergave vergeten.”
Maar de karakters in zijn films preken eigenlijk zelden: “Je kunt een vrome katholiek zijn en toch het land aan preken hebben,” zei Ford ooit tijdens een vraaggesprek. “Bijbelverhalen, ik weet het niet hoor, ze zijn nogal saai. Ze vergeten allemaal dat Christus een mens was. Een man.” Hij heeft ook aanbiedingen om religieuze films afgeslagen met als argument dat hij het onderwerp met te veel eerbied zou behandelen en dat de studio’s een atheïstische of een joodse regisseur zouden moeten inhuren.
Tijdens de tweede wereldoorlog maakt Ford propagandafilms waarvan The Battle of Midway (1942) het meest de moeite waard is. Hij bracht gebeurtenissen als de invasie in Normandië in beeld en bracht het hiermee tot de rang van schout-bij-nacht. Bij de bevrijding van Frankrijk kreeg hij de vraag van een non, aangezien hij katholiek en Amerikaan was, om de eerste kaars te ontsteken die zou branden na de bevrijding van het klooster. Het was een van de hoogtepunten in zijn leven, vertelde hij later aan een interviewer. Nadat hij een aantal van de grootste oorlogsoverwinningen had vastgelegd, keerde hij terug naar huis om de grootste nederlaag van Amerika te verfilmen in They Were Expendable (1945), waardoor Wayne een van zijn grootste acteerprestaties kon neerzetten.
Monument Valley
Ford blinkt uit met historische films en is de grootste geschiedschrijver van de Amerikaanse cinema door episodes te verfilmen als de onafhankelijkheidsoorlog, de burgeroolog, de trek naar het westen, de eeuwwisseling, de depressie, de eerste en tweede wereldoorlog, de Korea- en Vietnamoorlog. En tegelijk brengt hij de wereld in beeld door verhalen af te laten spelen in Ierland, Schotland, India, Samoa en China.
Maar het meest bekend is hij geworden door een hele serie westerns die zich afspelen tegen de achtergrond van Monument Valley in Utah, te beginnen met My Darling Clementine (1946), het verhaal over Wyatt Earp in het plaatsje Tombstone. Een prima inleiding op het werk van de regisseur vormt zijn cavalerie trilogie Fort Apache (1948), Rio Grande (1949) en She Wore a Yellow Ribbon (1950) waarin Wayne op ontroerende manier het graf van zijn vrouw bezoekt om haar regelmatig op de hoogte te houden van wat er in zijn leven gebeurt. Een weerklank van de scène waar Henry Fonda
hetzelfde doet in een eerdere film over het leven van Lincoln.
Laatste meesterwerken
Ford keert terug naar zijn Ierse wortels wanneer hij Wayne een man laat spelen die dat ook doet. In The Quiet man (1952) speelt Wayne een oud-bokser die terugkeert naar Ierland om een huis en een vrouw voor zichzelf te vinden. Wayne spreekt sneller dan zijn gebruikelijke lijzige cowboytaaltje en Ford laat een aantal ongebruikelijke stijlfiguren zien in de flashbacks van de bokser, met invloed op latere films maar het meest op Raging Bull.
In de moeilijke film, die pas na herhaaldelijk kijken de moeite waard wordt, The Searchers (1956) met - misschien wel Waynes beste rol – toont Ford zich een meester van de spanning, het heldenverhaal, de pelgrimage en boven alles van christelijke vergevingsgezindheid en zelfopofferende liefde. Alle thema’s uit het werk van Ford zijn hier in stelling gebracht en zijn rijpe talent toont zich hier op meesterlijke wijze. Tijdens de opname van deze film verkreeg hij het ooglapje als handelsmerk. Na een staaroperatie sloeg hij de raad van de dokter in de wind en verwijderde het verband te vroeg.
In The Man Who Shot Liberty Valance (1962) brengt Ford Jimmy Stewart en John Wayne voor het eerst samen en belicht hij de laatste van zijn grote thema’s: soms moet een wetsdienaar, een man van orde, wet en zelfs vrede, de wapens opnemen om de aanstichters van het kwaad onschadelijk te maken. Het was het begin van de anti-mythe western en de postmoderne scepsis over geschiedenis, onderstreept door spitsvondige uitspraak van de krantenredacteur in de film: “Als de legende feit wordt, druk dan de legende af. “ Een toepasselijk grafschrift voor een man die zelf een legende was en die de bioscoopbezoeker de erfenis van onze eigen mythologie heeft nagelaten.
Oorspronkelijk tekst op de site van Christianity Today
(Vertaling: Rolf Deen, KFA Filmbeschouwing)
|