Jezus zelden in beeld
Waarom zijn zo weinig Jezusfilms geslaagd te noemen?

Over Jezus zijn in de afgelopen eeuw ongeveer 115 films gemaakt. Slechts een paar ervan ervaren we als geslaagd. De meeste zijn volkomen vergeten en die we onthouden hebben, vielen meer op door de rellen en polemieken eromheen dan door de kwaliteit van de film zelf. Dat er zo weinig goede films over Jezus zijn gemaakt, ligt zonder twijfel in de moeilijkheidsgraad van het onderwerp zelf. Kun je een persoon als Jezus wel in beeld brengen, verduistert het beeld niet juist datgene wat je op wilt roepen? Het christendom heeft ook steeds op gespannen voet gestaan met het in beeld brengen van de goddelijke dimensie van de werkelijkheid. Eeuwenlang gold zelfs een strikt beeldverbod en toen de katholieke kerk op het einde van de Middeleeuwen meende, beeld en religie met elkaar verzoend te hebben, herinnerde de beeldenstorm van de reformatie haar weer hardhandig aan haar beeldloze verleden.

Tjeu van den Berk

Aan het begin van de vierde eeuw, toen de kerk vaste voet begon te krijgen in het Romeinse rijk, schrijft Constantina, de zus van keizer Constantijn, een brief aan bisschop Eusebius met de vraag of hij haar geen portret van Jezus zou kunnen schenken. Eusebius wijst haar verzoek resoluut af. ‘Mevrouw, hoe stelt u zich dat voor? Wilt u een portret van Jezus als God of als mens? Dat is allebei onmogelijk. Zijn goddelijke natuur is alleen zichtbaar voor de Vader. En als je alleen Zijn menselijke natuur uitbeeldt, doe je hem ook schromelijk tekort. Want hoe kun je de goddelijke uitstraling van deze mens met levenloze kleuren weergeven?’ Constantina moest het zonder icoon zien te stellen. Het duurde tot de achtste eeuw voordat men in de kerk het beeldverbod met steekhoudende argumenten theologisch wist te ontzenuwen. Maar de argwaan is in het christendom blijven hangen. Nog in de negentiende eeuw vraagt Kierkegaard zich af wat een schilder wel mag bezielen om een penseel te pakken, Jezus op het doek te zetten en vervolgens dat schilderij in een salon ten toon te stellen? Wat is dat voor blasfemie, een ‘mooie kruisiging’? Men moet Jezus návolgen in plaats van er esthetisch van te genieten.

Waarom het H. Hartbeeld het steeds weer wint van alle andere beelden

De moeilijkheden voor een regisseur beginnen al bij het feit dat hij een keuze moet maken uit vier portretten, dat van Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes. Zeker tachtig procent van de Jezusfilms gaat hier al in de fout door een ‘gemiddelde Jezus’ te willen uitbeelden, die daardoor vrijwel steeds de nodige dramatiek ontbeert. Een kunstwerk bestaat pas als het een spanningsveld weet op te roepen. Nu heeft Jezus van nature al weinig van een ‘held’. Bertold Brecht heeft een tijdlang rondgelopen met het idee een toneelstuk over Jezus te schrijven. Op een bepaald moment zag hij daar van af, omdat, zoals hij zei, de Jezusfiguur geen weerstand bood. Wanneer een regisseur dan ook nog eens de spanningsboog veronachtzaamt die elk afzonderlijk evangelie ongetwijfeld bezit, dan maakt hij het zich wel erg moeilijk.

Eenmaal de portretkeus gemaakt, dient de vraag zich echter aan of je als regisseur geen rekening moet houden met minstens twee eeuwen intensieve historisch kritische exegese. Hoe gaat hij om met tekstgenres en met de vaststelling dat de evangelies niet direct bedoeld zijn om betrouwbaar biografisch materiaal over Jezus te verschaffen? In het evangelie vindt de regisseur ook zo goed als geen enkele fysieke beschrijving van Jezus. En wat voor beelden moet hij gebruiken voor ‘incarnatie’, ‘verrijzenis’ en ‘hemelvaart’? Bij dit laatste punt, kan overigens een grote verleiding hem parten spelen. Hij kan namelijk gebruik maken van de verbluffend ingenieuze special effects om de wonderen uit het evangelie ‘echt’ uit te beelden. Hoeveel Jezusfilms vallen hier niet door de mand! In de eerste periode dat de bijbel filmthema’s leverde, werden kosten noch moeite gespaard om bijvoorbeeld de doortocht door de Rode Zee letterlijk uit te beelden, Lazarus werkelijk uit het graf te doen opstaan, Jezus ‘echt’ over het water te laten lopen en ten hemel te laten stijgen.

Nu zou de regisseur uit het voorgaande kunnen concluderen dat er niets anders op zit dan zelf een keuze te maken, dat hij gerechtigd is dat te doen, ja dat hem dat juist kansen biedt zijn creativiteit te ontplooien. Paradoxaal genoeg heeft hij bij de persoon van Jezus die vrijheid echter niet. Er bestaat namelijk een erfenis van eeuwen her wat betreft ‘het’ portret van Jezus. Alle filmtoeschouwers, gelovig of niet, zijn gepokt en gemazeld door dat beeld. Het is vrijwel in al onze kerken en musea terug te vinden is. Jezus uitbeelden in T-shirt en spijkerbroek, zonder baard en met bril op, wijkt zó af van dat vertrouwde beeld, dat het niet werkelijk in staat is ons te overtuigen. Jezus op een kaméél (iets wat historisch gezien, gekund heeft maar niet in het evangelie voorkomt) heeft meteen al iets van Lawrence of Arabia. Jezus hoort op een ezel! Maar zet maar eens iemand op een ezel in een T-shirt! Als Jezus gespeeld wordt door een bekend acteur, zien we steeds weer de trekken van die acteur. Jezus moet blijkbaar op een of andere manier de trekken hebben van ‘de’ Jezus van Memling of van Leonardo da Vinci, anders haken de meeste toeschouwers af. Maar áls de regisseur dan bewust ingaat op dat eeuwenoude beeld, dan lijkt het net of het H. Hartbeeld dat bij ons in de huiskamer stond, op ons afkomt, een negentiende eeuwse Jezus dus. En die willen we ook weer niet zien. We weten goed dat dit klassieke Jezusportret volstrekt onhistorisch is, het staat in de zogenoemde Lentulusbrief, in de dertiende eeuw te voorschijn getoverd, en waarin een zeker Publius Lentulus voor de Senaat een beschrijving van Jezus geeft, maar het heeft een onwaarschijnlijke impact gekend. De wijze waarop in die brief baard, voorhoofd, ogen, gelaatsvorm en –kleur van Jezus beschreven worden, is vrijwel onuitroeibaar gebleken in onze beeldvorming.

‘Jésus de Montréal’ van Arcand, een geslaagde Jezusfilm

De Canadese regisseur, Denys Arcand, heeft dáárom een van de beste Jezusfilms gemaakt omdat hij de hierboven genoemde drempels niet trachtte te ontwijken maar juist bewust in zijn film inbouwde. Jésus de Montréal is mede daardoor een uitstekende Jezusfilm geworden. De film kreeg in 1989 in Cannes de prijs van de Internationale Jury en van de Oecumenische Jury.

De titel geeft het al aan. Arcand heeft in de eerste plaats een film gemaakt over Montréal en zijn inwoners. De acteur, Daniel Coulombe, keert na lange tijd weer terug naar die stad. Pater Leclerc zoekt naar iemand die het jaarlijks opgevoerde passiespel weer nieuw leven moet inblazen. Coulombe schaart enkele mannen en vrouwen om zich heen die op één of andere wijze met een publiek te maken hebben (de actrice Constance, tegelijkertijd de geliefde van de pater, het fotomodel Mireille, de werkeloze Shakespeare-acteur René, een inspreker van pornofilms Martin enzovoort). Alle moeilijkheden die zich voordoen bij het opvoeren van dit passiespel komen aan de orde. Hoe kun je een tweeduizend jaar oud verhaal nog opvoeren in een hedendaagse metropool? De groep buigt zich over kwesties van historische betrouwbaarheid en actuele relevantie, van lieverlede raken hun eigen levens verwikkeld in de rol die ze moeten spelen. In het spel dat gespeeld wordt, ziet de bijbelvaste lezer hoe de gebeurtenissen uit Palestina archetypisch aanwezig zijn in Montréal. In het alledaagse leven van deze acteurs en actrices speelt zich het klassieke drama af.

De spanning tussen filmbeeld en evangeliewoord

Door Jezus een inwoner van Montréal te laten zijn, heeft Arcand volgens mij de wellicht moeilijkste klip weten te omzeilen waarmee een regisseur van Jezusfilms tenslotte te maken krijgt. Die heeft te maken met het spanningsveld dat bestaat tussen het ‘beeld van de film’ en het ‘woord van het evangelie’. De film is een realistisch medium, in die zin dat hij de mogelijkheid heeft zeer gedetailleerd en uitermate natuurgetrouw de alledaagse werkelijkheid weer te geven. Daarmee schept hij in de wereld van de kunsten een volstrekt eigen universum, dat hij natuurlijk gemeen heeft met de fotografie, zij het in nog veel sterker mate daar hij aan de foto nog beweging en geluid toevoegt. Natuurlijk blijft wat de kijker ziet een illusie maar juist één die verbazingwekkend dicht bij de alledaagse waarneming staat.

In het evangelie echter worden Jezus en zijn leerlingen, de plaatsen die zij bezoeken en de mensen die zij ontmoeten in het geheel niet filmisch weergegeven worden. Ik geef een voorbeeld. De regisseur die de intocht in Jeruzalem uitbeeldt, toont ons 24 beeldjes per seconde alles vrijwel precies: Jezus van kruin tot voetzool, de cipressen aan de rand van de weg, het halster van de ezel en de belletjes eraan. ‘Jezus op een ezel’ is voor de evangelist echter iets geheel anders als deze Jezus op deze ezel. De ezel in het evangelie verwijst naar een uitspraak van een oudtestamentische profeet over een ezel en haar jong waarop de Messias zijn intocht zal maken. ‘Ziet uw koning komt tot u, gezeten op een ezel’. Deze tekst werd misschien door de evangelist wel aangewend om een gebeurtenis te ensceneren die nooit historisch heeft plaats gevonden! Hetzelfde gaat op voor ‘Jezus in de woestijn’, ‘Jezus in Egypte’, ‘Jezus op de berg’ enzovoort. De spirituele dimensie van ‘Jeruzalem’, ‘berg’, ‘woestijn’ dreigt juist verloren te gaan als je deze berg, woestijn enzovoort laat zien.

De regisseur die een Jezusfilm maakt, heeft met een tekst van doen die onze alledaagse werkelijkheid al overstegen heeft! Door een dergelijke tekst dan in alledaagse beelden weer te geven, bestaat het grote gevaar weer terug te vallen in de alledaagse werkelijkheid.

‘Il vangelo secondo Matteo’, groot meesterwerk van Pasolini

Één groot regisseur is er wél in geslaagd de ‘woorden’ in beeld te brengen. Pier Paolo Pasolini in: Il vangelo secondo Matteo uit 1964. Hij heeft naar mijn smaak niet alleen de beste Jezusfilm gemaakt maar ook nog eens een filmisch meesterwerk.

Er wordt wel eens beweerd dat Pasolini in deze film er wél in geslaagd zou zijn heel dicht bij de historische Jezus te komen. Dit is echter pertinent onjuist. In een interview zei hij: ‘Deze film is eenvoudigweg de visualisering van één evangelie, dat van Matteüs. Hij gaat niet over het leven van Jezus.’ Indien hij die laatste zin niet had toegevoegd, zou voor velen het feit dat hij een evangelie in beeld brengt, gelijk gestaan hebben met: de historische Jezus in beeld brengen. Als groot kunstenaar, juist ook op literair gebied, voelde Pasolini feilloos aan dat het evangelie van Matteüs zelf een kunstwerk is. En hij doet dan ook geen enkele poging dit schitterend stuk literatuur, hij las het op een avond in zijn hotelkamer in één adem uit, te gaan interpreteren. Woordelijk neemt hij het over en dramatiseert de woorden vrijwel nergens. In staccatovorm overbrugt dit proza zo tweeduizend jaar. Pasolini laat de woorden zoals ze zijn, archaïsch soms, niet te vatten, niet te pruimen, onbarmhartig. Pasolini stelt dan ook nadrukkelijk: ‘Geen woord in deze film is van Pasolini en nergens probeer ik woorden uit te leggen.’

Paradoxaal genoeg komt zo de eigentijdse interpretatie van het evangelie nog sterker tot zijn recht. De woorden van Matteüs weten ons te raken! Volgens Pasolini was Matheus een sociaal bewogen apostel die opkomt voor de verdrukten en de armen, een visie die de communist Pasolini zeer aansprak. Die interpretatie sprak hem aan en daarmee heeft Pasolini de historische Jezus buiten beeld gehouden, en vermijdt hij de hierboven opgesomde moeilijkheden. ‘Ik wilde het leven van Jezus niet reconstrueren. Integendeel ik wilde het verhaal van Christus plus twee duizend jaar christelijke traditie vertellen.’ Om te beginnen verplaatste hij daarom radicaal het hele evangelieverhaal naar Zuid Italië, waar volgens hem sprake is van het hedendaagse proletariaat, een plaats waar nu de ‘armen van geest’ wonen. Hij beeldt echter het kale landschap en de verweerde gezichten van zijn bewoners zo tijdloos uit, dat je verrassenderwijs onwillekeurig denkt: zo moet dat ook geweest zijn tweeduizend jaar geleden. Pasolini voert in zijn eigen land een passiespel op. En in die zin komen Jesus de Montréal en Il vangelo secondo Matteo opmerkelijk dicht bij elkaar.

Pasolini heeft ook niet geaarzeld persoonlijke stellingnames in de film te vlechten. Zo laat hij de rol van moeder Maria door zijn eigen moeder spelen. En hij wijkt zelfs af van Matteüs door haar aan de voet van het kruis te plaatsen, ten prooi aan een vreselijke droefheid. Het lijkt er sterk op dat de zoon waarom de moeder weent, wel eens voor een deel Pasolini zelf is! Zijn eigen moeder had in die jaren immers ook vreselijk verdriet om de wijze waarop men haar zoon, communist en homoseksueel, vol misprijzen bejegende.

Pasolini had in het geheel niet de bedoeling een betrouwbaar portret van de historische Jezus te geven. Tegen de Spaanse acteur die de rol van Jezus speelde, en die hem vroeg wat hij zich moest voorstellen bij Sadduceeën en Farizeeën, zei Pasolini dat hij bij het uitspreken van zijn scheldkanonnades moest denken aan de fascisten in zijn eigen land. Ook in de keuze van zijn muziek bekommerde hij zich niet om historisch verantwoorde klanken. Bachs Mattheuspassie, de Missa Luba, Negrospirituals, Russische koren, Prokoffief en de Maurerische Trauermusik van Mozart begeleiden de beelden.

De vraag is natuurlijk of Arcand en Pasolini wel een Jezusfilm hebben gemaakt. De filmjournalist Peter Malone heeft in zijn Moviechrists and Antichrists het gelukkige onderscheid gemaakt tussen Christus- en Jezusfilms. Malone herinnert ons aan het feit dat er heel wat films zijn die een christelijke inslag hebben terwijl er op het eerste gezicht niets christelijks te bespeuren is op het filmdoek. Zo komt het ook dikwijls voor dat hoofd- en bijfiguren in een film ons op een onweerstaanbare wijze als een soort Jezus tegemoet treden, terwijl het verhaal volstrekt niet over Jezus gaat. Malone legt dit zo uit: de tijdgenoten van Jezus zagen in Jezus de Messias, de Christus (= Gezalfde), en ze verleenden hem de karakteristieken van dat Christus-archetype. Dit archetype kan op tal van wijzen en bij tal van andere personen in de geschiedenis verschijnen. Malone werkt dan verschillende aspecten van de ‘figura Christi’ uit: bijvoorbeeld zijn zowel slachtoffer als verlosser zijn. In die betekenis kunnen films als Billy Budd, Mission, Z, De klokkenluider van de Notre Dame, The Elephant man,. E.T., Star Wars, Close encounters of the third kind, Forrest Gump, The life of Brian, Christusfilms genoemd worden. En zo kunnen vrouwen in films ook als een Christus getoond worden, zoals in Odette, Sophies Choice, Die bleierne Zeit, Cries en whispers, Babette’s Feast en La Strada. Ik denk dat waar regisseurs erin geslaagd zijn de figuur van Jezus op een aanvaardbare manier te verfilmen, zij in feite steeds een Christusfilm hebben weten te maken. Zeker geldt dat voor Arcand en Pasolini.

Kunst dient te ‘spotten’ met de werkelijkheid

Kunst die de realiteit wil afbeelden is per definitie geen kunst. Kunst herschept steeds de werkelijkheid, doorbreekt die. Werkelijke kunst verstaat de kunst van het veinzen (Kellendonk) schept illusies, zet ons op het ‘verkeerde’, betreedt een transitionele ruimte (Winnicott), waarin wat we gewoonlijk met ‘objectief’ en ‘subjectief’ aanduiden, problematisch wordt. Dient elk kunstwerk altijd al iets kunst-matigs te hebben, bij een kunstwerk over een religieus thema, geldt dat nog in sterkere mate.

Maar met een figuur als Jezus mag een kunstenaar blijkbaar niet ‘spotten’ die moet bloedserieus genomen worden. Enkele jaren geleden was er sprake van de volgende reclamefilm: We zien Jezus staan in een woestijn-oase. Een lichte bries gaat door de palmbladeren en de muziek kabbelt lieflijk op de achtergrond. Jezus kijkt vol bewondering naar een fles Californische Chardonnay, die hij in zijn handen houdt. Dan kijkt hij naar de camera en zegt: ‘Toen ik te Kana water in wijn veranderde, zweefde mij zoiets dergelijks voor ogen. Probeer hem eens. Geloof me!’ Die ‘spot’ is er nooit gekomen. Er zou sprake zijn van blasfemie, trivialisering en kitsch. Ik moet eerlijk bekennen dat ik daar niet zo zeker van ben. Los even van de esthetische kwaliteit van dit concrete spotje, is toch de vraag gerechtigd: nemen we Jezus niet meer serieus als we hem met humor omgeven? Ik weet zeer goed dat het ‘oprecht veinzen’ van Kellendonk op veel diepere gronden berust dan deze commerciële grap, mij gaat het er echter om dat christenen nog heel veel van bijvoorbeeld de joden en hun humorvol omgaan met hun traditie kunnen leren.

Tegen deze achtergrond meen ik dat The Life of Brian van Monty Python’s Flying Circus één van de betere Christusfilms is geweest. Via de figuur van Brian, een fictieve tijdgenoot van Jezus, ontwikkelen de ‘circusartiesten’ een bittere satire op religieus fanatisme, op pseudo-revolutionair gezwets, en stellen ze de Jezuskitsch aan de kaak die in films als ‘The Greatest Story ever told (1965) en King of kings (1961) op het doek wordt uitgesmeerd. De gekruisgde Brian, die samen met de andere gekrusigden zingt: ‘Always look on the bright side of life’ ontmoette veel ergernis. Maar deze scène kan en mag gezien worden als een ‘en toch’-bevestiging van het leven, op het moment dat een mens oog in oog staat (hangt!) met de donkere afgrond van de menselijke existentie. ‘Een schandaal’ werd overal en met name ook in de media geroepen, maar heeft dit evangelieverhaal de eeuwen door niet iets van een ‘skandalon’ gehad? Frivool en ironisch wordt in dze film afstand genomen van de overgeleverde kerkelijke stereotiepen. Deed de beroemde tijdgenoot van Brian iets anders?

Zo zijn er zeker enkele geslaagde films over Jezus gemaakt, waarbij meteen gesteld moet worden dat de betreffende regisseurs steeds begrepen dat een film over de historische Jezus onmogelijk was, laat staan over een bovenhistorische Jezus, gevangen in dogma’s of ‘geplakt’ op bidprentjes, en dat dus bisschop Eusebius gelijk had! Of Eusebius echter door had wat werkelijk een kunstwerk was, is natuurlijk geen vraag meer. Een beeld was voor hem iets afgodisch. Dat kan het zijn, zeker. maar, Margritte parafraserend, moet steeds weer beklemtoond worden bij elke afbelding van Jezus:‘Ceci n’est pas Jésus’!

Literatuur

  • Jesus in der Hauptrolle Zur Geschichte und Ästhetik der Jesus-Filme mit ausführlicher Filmographie und Bibliografie. (Extra nummer van het tijdschrift Film-Dienst, Keulen, november 1992)
  • L. Baugh, Imaging the Divine Jesus and Christ-Figures in film, Sheed & Ward, Kansas City 1997
  • P. Malone, Movie Christs and Antichrists, Parish Ministry Publications, Eastwood 1988
  • P. Hasenberg (Hg.), Spuren des Religiösen im Film Meilensteine aus 100 Jahren Filmgeschichte, Grünewald, Mainz 1995
  • E. Honée, "Beeld en verbeelding in de Middeleeuwse gebedscultuur Een kerkhistorische beschouwing". In: H. van Os, Gebed in Schoonheid Schatten van privé-devotie in Europa, Rijksmuseum, Amsterdam 1994, blz. 157-174

Bron: Dit artikel verscheen in Spiegel historiael nummer 4 jaargang 17 maart-april 2002, 158-163.
(Thema-nummer: Jezus! Beelden van een multi/religieus verschijnsel)

Deze site is eigendom van de stichting KFA-Filmbeschouwing.
Voor alle teksten © Copyright KFA Filmbeschouwing.