Kijk niet elke dag naar het journaal

We leven in een beeldcultuur en versimpeling dreigt: op televisie is geen tijd voor nuances. Maar de beeldcultuur heeft ook een andere kant. “Film is de meest religieuze van alle kunsten”, zei de beroemde filmmaker Jean-Luc Godard. Een gesprek met Marjeet Verbeek, theologe en filmanalytica, over het Journaal als ritueel en de media als onbedoelde handlangers van de terreur, over de waarheid van verbeelding en de film als venster op de ziel.

Lisette Thooft

Vredesweek of niet, op televisie gaat het geweld gewoon door. Journaalbeelden van terreuracties met bebloede slachtoffers, films waarin geweld tot amusement verheven is: televisie kijken is niet altijd een vrolijk stemmende bezigheid. En kloppen de angstaanjagende beelden wel met de werkelijkheid? “Een beeld is nooit neutraal of objectief”, stelt Marjeet Verbeek. “Het snijdt altijd een deel van de werkelijkheid uit en blaast dat op.”

Het nieuws brengt beelden met de pretentie dat dit de werkelijkheid is, Maar beelden geven nooit de werkelijkheid weer?

“Als wij beelden zien van een terroristische aanslag, zijn dat ook beelden van een terroristische aanslag. Maar wat onvermijdelijk is, is dat het een keuze is van de filmer en de redactie wat men laat zien en wat niet. Er zijn criteria voor wat nieuws is, en die hebben te maken met opvattingen van de redactie, maar ook van de cultuur als geheel, het gemiddelde van de samenleving. Natuurlijk gaat het om kijkcijfers. In die zin ben je allemaal medeschuldig aan wat je te zien krijgt. Je ziet wel eens beelden die Al-Jazeera uitzendt en dan voel je het verschil: dat is een andere cultuur, die mensen voelen Al-Qaida anders aan en dat kleurt de beelden anders. Je kunt nooit alles laten zien, dus je kiest - en wat je kiest, vergroot je uit. Daarmee bekrachtig je dat. De tendens van vandaag de dag is om beelden te laten zien die ons raken - zeker van gebeurtenissen verder weg. Het moet shockeren.”

Waarom eigenlijk?

“Om ons betrokken te houden. Er zijn door wetenschappers allerlei hypotheses opgesteld: zou dat ons angst aanjagen, zou het ons immuun maken, zou het tot nadoen aansporen? Al die hypotheses zijn in bepaalde gevallen waar. Iemand in een verzorgingstehuis die alleen tv heeft als verrekijker op de wereld en die zich toch al kwetsbaar voelt op straat, krijgt een angstaanjagend beeld van de werkelijkheid buiten.

Voor het Journaal is dat wat mis gaat, wat bedreigend is, waar brandhaarden zijn het belangrijkste. Het feit dat er een presentator zit die de boel aan mekaar praat en bij mekaar houdt, maakt het beter te verstouwen. Die presentator neemt je als het ware bij de hand. Het Journaal begint altijd met het allerergste, dan komt er kort nieuws dat iets minder erg is, dan heb je nog een stukje human interest, tot slot het weerbericht – ‘morgen is het weer gewoon dag, de zon gaat op’. Zo wordt het gecomponeerd.

Journaal kijken is een ritueel, tussen eten en afwas. Ik zou iedereen als advies willen meegeven om het niet elke dag te doen. Maar de meeste mensen willen het gevoel hebben dat ze op de hoogte blijven.”

Blijf je wel goed op de hoogte met het Journaal?

“Waar het oorspronkelijk voor bedoeld was, en wat je in de statuten van alle omroepen kunt lezen, is de emancipatie van de burger, het mondig maken van mensen door ze op de hoogte stellen van wat er in de wereld gebeurt. En dat gebeurt ook wel, maar vanuit de aard van het medium heeft dat een kleur. Ten eerste werken beelden op emoties, dus sensatie en drama is belangrijk. Alles wat je ziet, moet drama in zich hebben. Het is minder geschikt dan het woord om rationele argumenten over te brengen. Dan moet je iemand de tijd geven en die tijd is er niet, het medium vraagt drama en snelheid.”

Maar met dat angst aanjagen helpt de tv de terroristen - want dat is precies wat die willen bereiken.

“Ja, in dat opzicht zijn de media onbedoeld de handlangers van de terreur. Ik vraag me wel eens af of ons brein het wel aankan om alles wat er in de wereld gebeurt te verwerken. Door de media leven we in een global village, maar kan ons brein dat wel aan? Vereenvoudigen we niet nog meer van datgene wat al vereenvoudigd tot ons komt? Over dat streven om via informatievoorziening mensen te emanciperen en mondig te maken, ben ik niet meer zo optimistisch als ik in de jaren tachtig was. Anderzijds moet ik er niet aan denken dat er van bovenaf besloten zou worden ons die informatie te onthouden. In mijn colleges pleitte ik altijd voor een gezonde, verantwoordelijke omgang met de media: laat je niet overvoeren, neem de tijd om het te verwerken en een plek te geven, denk na over de manier waarop jij als burger dat politiek gaat vertalen – dat hoort er allemaal bij.”

Hoe komt een theologe terecht op het gebied van media en film?

“In de jaren tachtig gingen we kijken of de theologie iets zinnigs kon zeggen over de beeldcultuur en of de beeldcultuur op haar beurt iets zinnigs te vertellen had aan de theologie. Dat boeide mij mateloos, want daarmee ging de theologie voor mij leven, werd het iets van nu. En sindsdien houd ik me daarmee bezig. Ik kom over het algemeen uit bij filmhuisfilms. Dat heeft ook te maken met de doelgroep waarvoor ik doorgaans werk: volwassenen. De meeste mainstream films worden gemaakt voor de leeftijdsgroep tussen zestien en vierentwintig. Iemand in die leeftijdsgroep heeft andere taken en opdrachten in het leven dan iemand van boven de veertig. Mainstream films gaan daarover – denk maar aan Lord of the Rings. Zo’n soort film gaat altijd over een held of heldin die het avontuurlijke pad opgaat, niet alleen omwille van zichzelf maar ook om de mensheid te dienen. En de grote vijand is de machinemens. Wij weten ons immers afhankelijk van technologie, en de hamvraag is: hoe zorgen we ervoor dat de machine ons dienstbaar blijft en wij niet dienstbaar worden aan de machine? De machinemens is een metafoor voor een mens die puur en alleen vanuit een patroon, een ideologie leeft, die geen enkele voeling meer heeft met zijn eigen wezen en ziel. De held daarentegen ontdekt zijn eigen individualiteit en gaat van daaruit op pad. Daar gaan die grote films over – dat past bij die leeftijd. Want je bent je plek aan het zoeken in de wereld. Twintig jaar later ben je een aantal illusies armer en geloof je niet meer zo in die strikte scheiding tussen goed en kwaad. Dan raak je geboeid door verhalen die de complexiteit van goed en kwaad laten zien. Dan hoop je dat je een held kunt zijn in het klein.”

Dead Man Walking, waarover je een boekje schreef, was wel een grote film?

“Ja, dat is een rijke film, die boeit alle leeftijden. Het is een film over een ter dood veroordeelde die hulp krijgt van een non. Het is duidelijk dat de man de misdaad heeft begaan en zij vindt dan ook dat hij verantwoordelijkheid moet nemen. Maar voor haar is hij meer dan zijn misdaad. Voor de samenleving niet, die zegt: jij bent jouw misdaad, jij moet buitengesloten worden, jij bent dood voor ons. De non gelooft dat iedereen erbij hoort. Vanuit haar diep gewortelde overtuiging gaat ze het gesprek aan en het lukt haar – de film doet daar twee uur over – om iets op gang te brengen bij die man waardoor hij zijn masker laat vallen. Hij begint onder ogen te zien wat hij heeft gedaan. En in haar ogen is hij daardoor verlost. Ze citeert Johannes 8: ‘de waarheid zal u verlossen’. De waarheid omtrent jezelf, jouw leven, wat je hebt gedaan – daarmee verkrijg je waardigheid en kun je als waardig mens sterven. Deze film vind ik een mooi voorbeeld van Godards uitspraak die het motto is van de KFA Filmbeschouwing: “De film is de meest religieuze van alle kunsten, omdat ze de mens voor de essentie van dingen plaatst en de ziel in het lichaam laat zien.” Je zou enken dat film zo plastisch is dat het alleen het lichaam laat zien. Maar in Dead Man Walking zie je langzaam dat masker van het gezicht glijden – dwars door alles heen kijk je naar de ziel. Dat kan film doen - dat je door de oppervlakte heen kijkt naar de essentie van dingen. Het gaat om momenten waarop mensen zichzelf transcenderen, open gaan staan naar de werkelijkheid. En daar krijg jij als kijker een doorkijkje in. Daar wordt een verbinding gelegd – en dat is essentieel voor religie. Als een film dat kan, zit daar een mensbeeld achter dat religieus is.”

Zou het niet beter zijn als de redactie van het Journaal ook zo’n religieus mensbeeld had?

“Het voordeel van de cineast is dat hij fictie maakt. Een van de grootste cineasten van de afgelopen decennia is Kieslowski geweest, die de Decaloog heeft gemaakt en het drieluik Trois couleurs – blue, blanc et rouge. Ooit was hij documentairemaker, maar later is hij overgestapt op fictie, omdat hij vond dat hij daarin de werkelijkheid beter kon laten zien. Het is een paradox: in een fictief verhaal kon hij beter de essentie van het menszijn laten zien dan wanneer hij mensen interviewde. Kieslowski zei: ik zou te veel voyeur moeten worden, het intieme leven van mensen op straat gooien en dat doe ik niet. Dan moet je over grenzen heen gaan op een manier die eigenlijk ontoelaatbaar is. Daarbij komt: fictie is een spel, acteurs spelen een rol - maar als ze goed spelen, laten ze heel veel van zichzelf zien. Terwijl je bij reality-tv vaak het gevoel krijgt dat mensen een rol aan het spelen zijn. Wat is dan eigenlijk nog echt en wat is niet echt?

“Films die iets van het mysterie laten zien, boeien mij.”

De meest aangrijpende semi-documentaire die ik de laatste jaren gezien heb, is In this world. Twee Afghaanse vluchtelingen spelen daarin zichzelf. De authenticiteit druipt er van af en je krijgt de achterkant van de werkelijkheid te zien. Ik zal nu bij alle discussies over het vluchtelingenbeleid beseffen hoeveel strijd, hoeveel verlangen naar een beter leven, hoeveel gevaren aan de komst van die mensen ten grondslag liggen. En ik heb een diep respect gekregen voor de vitaliteit van de mensen die dat ondernemen.”

Hoe sta je tegenover activistische films zoals van Hirsi Ali en Theo van Gogh, en van Michael Moore?

“Hirsi Ali balanceert op grenzen die voor ons nieuw zijn en dat geeft stof voor discussie. Het is het grijze gebied tussen politiek en media, tussen onafhankelijke journalistiek en kunst, tussen kunst en partijpolitiek. Er zit een gevaar in. Aan de andere kant vraag je je af: waarom mag een politica niet samen met een filmregisseur een film maken? Ik heb er niet zoveel moeite mee. Met hun film Submission kiezen Hirsi Ali en Van Gogh de weg van de provocatie. Kritiek kan ook een vorm van profetie zijn, net als satire. Ik werd erdoor gegrepen toen ik hem zag; de vormgeving was sterk. Fahrenheit 9/11 van Michael Moore vond ik minder boeiend dan zijn vorige film Bowling for Colombine. In deze stijl van documentairemaken legt hij door de montage veel persoonlijke, associatieve verbanden, waardoor het propaganda wordt. Aan de ene kant laat hij wel goed zien dat er verbanden zijn tussen de olie en de Amerikaanse regering. Dat is goed om te weten. Hij legt een systeem bloot, dat niet alleen in Amerika speelt. Maar zo’n systeem is machtiger dan alleen één man en hij focust wel op die ene man, president Bush. Hij maakt hem te machtig, denk ik dan. Of je nu een persoon verheerlijkt in een documentaire of je slacht hem af, dat is hetzelfde, dat is partijdig. Het gebeurt natuurlijk wel vaker dat de media gebruikt worden als propagandamiddel. Ze zijn nooit objectief, maar je moet wel willen dat ze een bepaalde onafhankelijkheid bewaren. Een ander goed voorbeeld van het grijze gebied is La Meglio Gioventù, een prachtige, zes uur durende film over de Italiaanse geschiedenis gekoppeld aan een familie-epos. Die was gemaakt voor de tv. Maar Berlusconi, die veel televisiezenders in handen heeft, vond hem maar niks, omdat hij er niet in voorkomt - dus kwam die film niet op tv. In de jaren dertig in Duitsland ging dat in extreme mate zo. Waar liggen de grenzen?”

Als we ons letterlijk aan het tweede gebod - ‘Gij zult u geen gesneden beeld maken’ - gehouden zouden hebben, zouden we nooit in deze beeldcultuur terecht zijn gekomen waarin alles versimpeld wordt…

“Ik heb het tweede gebod altijd geïnterpreteerd binnen de context van die tijd, als een verbod op idolatrie – het heilige proberen te vatten in een beeld. Dat gaat niet. De theologie beseft dat we altijd in beelden denken en altijd beelden maken, en dat dat ook moet, anders konden we niet communiceren en hadden we geen rituelen, geen symbolen, geen geloofsbelijdenis, dan zouden we niets kunnen vieren. Zelfs het woord is een beeld, kun je zeggen, want het woord roept altijd een beeld op in ons brein, wij denken in beelden. En we hebben beelden nodig. Dat beseft ook de mysticus; als hij zijn ervaringen wil mededelen, gaat hij schrijven of dichten of beelden vormen. Tegelijkertijd zal hij altijd benadrukken dat zijn ervaring niet in taal te vatten is, dus zal hij altijd een taal kiezen die een verwijzend karakter heeft, omdat de ervaring eigenlijk onzegbaar is. En toch, als hij wil communiceren, zal hij moeten proberen om iets van dat mysterie te laten zien. Films die dat doen, boeien mij. Daar waar woorden en beelden het mysterie dichttimmeren, met de suggestie dat we alles in eigen hand hebben, met een soort hoogmoed, zegt het me niets. De negatieve theologie stelt: het is nodig om alles wat je hebt bevestigd weer te ontkennen, want waar we het uiteindelijk over hebben, is een ‘wolk van nietweten’. En er is geen informatievoorziening die jou daar dichterbij krijgt, het is je eigen ervaring. Die levert kennis op die tijdloos is, terwijl informatie gaat over wat er vandaag de dag gebeurt, vaak ver weg en met mensen die je niet kent. Als je blijft hangen op dat niveau van informatievoorziening, lijkt het of er telkens iets nieuws gebeurt. Maar is dat wel zo? Levenservaringen zijn universeel. Er zijn een paar wetmatigheden: er is leven en dood, vreugde en pijn. Helaas wapen je je vaak tegen pijn en dan sluit je je af, je sluit buiten. Hoe kun je de verbinding weer leggen?”

Marjeet Verbeek (1960) studeerde theologie in Amsterdam en specialiseerde zich in de relatie audiovisuele media en hedendaagse spiritualiteit. Zij werkte voor het Katholiek Media Centrum, doceerde media, godsdienstcommunicatie spiritualiteit en vrouwenstudies theologie aan Fontys Hogeschool Theologie Levensbeschouwing en geeft lezingen en trainingen over de relatie film en spiritualiteit Zij is bestuurslid van de stichting KFA Filmbeschouwing en schreef twee deeltjes in de Serie Zin in film (uitgeverij Wind) over de films Nuovo Cinema Paradiso en Dead Man Walking. Marjeet Verbeek is getrouwd en heeft twee dochters van veertien en acht.

Bron: Interview met KFA Filmbeschouwing bestuurslid Marjeet Verbeek eerder verschenen in Volzin. Opinieblad voor geloof en samenleving.
Jaargang 3 nr. 19, 24 september 2004.

Deze site is eigendom van de stichting KFA-Filmbeschouwing.
Voor alle teksten © Copyright KFA Filmbeschouwing.